Categorieën
Blog

Hoe ik na vier jaar samenwerken met mijn sportpsychologe de basis van het hoogspringen steeds beter begrijp

“Ik ga deze doorbraak aan niemand uit kunnen leggen”, zeg ik aan het eind van onze Skypesessie tegen Annemieke Zijerveld, mijn mental coach. “Het is zo ontzettend logisch, dat niemand zal begrijpen dat dit niet goed ging in mijn hoofd. Hoe kan dit een doorbraak zijn?” 

Ik werk nu bijna vier jaar samen met Annemieke. Onze eerste afspraak was in een Van der Valk hotel tussen Gouda en Rotterdam. Ik had net de keuze gemaakt om weg te gaan bij mijn coach in Zoetermeer Rini van Leeuwen, om in Leverkusen bij Hans Jörg Thomaskamp te gaan trainen. Deze keuze ging gepaard met een andere beslissing. Ik wilde in aanloop naar de Olympische Spelen van Rio alles aangrijpen om beter te worden en ik vond het tijd om te gaan werken met een sportpsycholoog. 

In de afgelopen jaren heb ik haar naam veelvuldig genoemd op mijn website, en vooral ook in mijn nieuwsbrieven. Ik schreef minimaal elke twee maanden over wat ik nu weer over mezelf ontdekt had in een sessie met Annemieke. Dat topsport een lange termijn spelletje is wist ik al, maar dat ik na vier jaar voor mijn gevoel pas echt de vruchten begin te plukken van mijn keuze om Annemieke een berichtje te sturen in de zomer van 2015 verbaast me toch.

Zoals zo vaak begint deze doorbraak op een dieptepunt, tijdens dit indoorseizoen waarin ik mij in mijn eerste wedstrijd blesseerde. Op dat moment schrijf ik de blessure nog toe aan een technisch foutje in mijn tweede poging op 2,26m. Na mijn revalidatie, op het moment dat ik weer volledig aan het springen ben in de trainingen, maak ik opeens weer een sprong waarbij ik mijn hiel pijn doe. Een sprong die mij doet denken aan de sprong waarmee ik me twee maanden daarvoor blesseerde. 

Die avond stond er toevallig een sessie met Annemieke op de planning. Ik vertelde mijn verhaal van die techniektraining en terwijl we het erover hadden realiseerde ik mij wat er was gebeurd. Tijdens de revalidatie was ik vooral bezig met technisch goed springen, zodat ik mijn hiel niet weer zou blesseren. Nu was mijn trainer net terug van een week vakantie en in die week had ik twee goede springtrainingen gedaan. Ik wilde hem laten zien hoe goed het ging. Wat zo goed ging in de revalidatie vergat ik nu. In plaats daarvan dacht ik vooral aan één ding: hoog springen om mijn coach te laten zien hoe goed het ging. Het duurde niet lang voor ik deze situatie van de techniektraining koppelde aan de sprong in de wedstrijd waarin ik mij blesseerde. In beide sprongen was ik vooral bezig met hoog springen en niet met hoogspringen. 

Mocht je vaker sport volgen dan komen de woorden taakgericht en resultaatgericht nu misschien in je op. Het adagio in de topsport is dat je alleen bezig moet zijn met wat je moet doen en hoe je dat moet doen (taakgericht) en niet met wat het resultaat van wat je moet doen (resultaatgericht). Niet denken aan hoog springen dus, alleen aan hoogspringen. 

Je kunt je voorstellen dat ook ik bekend ben en was met dit adagio. Na bijna vier jaar twee keer per maand met Annemieke praten weet ik heus hoe het in theorie werkt. Het probleem is echter de praktijk. Want wát is precies taakgericht denken als je in een wedstrijd staat? Heel gedetailleerd nadenken over elk stukje van de hoogspringbeweging is wel taakgericht, maar gaat geen goede sprong opleveren, dat is duidelijk. Vorig jaar schreef ik hierover in dit blog ‘hoogspringen zonder na te denken’.

Minder bewust nadenken dus en meer springen op het onbewuste, het gevoel. Met gevoel bedoel ik dan niet gevoel in de zin van onderbuikgevoelens, of in de zin van ik voel me vandaag goed, maar met gevoel bedoel ik de indruk die van een sprong achterblijft nadat deze achter de rug is. Als ik een sprong maak, en ik land op de mat, dan weet ik vrijwel direct wat er goed en wat er slecht gegaan is. De indrukken van al mijn zintuigen, gecombineerd met alle sprongen die ik in het verleden gemaakt heb, zorgen er samen met de kennis die ik over het hoogspringen heb voor, dat ik de mat af stap met een gevoel over de sprong. Het idee was om dit gevoel de basis te laten zijn van mijn sprongen.

In de afgelopen winter heb ik hier goed aan gewerkt. Ik heb dit gevoel verder verfijnd en heb er meer controle over gekregen. Nu is het lastige van topsport dat er op een gegeven situaties komen waar druk op staat, wedstrijden bijvoorbeeld. Deze druk brengt stress mee, en stress kan allerlei nare bijwerkingen hebben. Eén van deze bijwerkingen is dat dingen die zonder stress heel makkelijk gaan, onder stress opeens moeilijk worden. Mijn coach gebruikt altijd het volgende voorbeeld. Stel je voor dat je op de stoep staat met je gezicht naar de straat. Daar kun je minuten blijven staan, zonder dat je de straat op valt. Maar zou onder deze stoeprand niet de straat zijn, maar een afgrond, dan is het opeens lastig om op de rand te gaan staan. Iets simpels, wordt onder invloed van stress opeens moeilijk. 

De indrukken van al mijn zintuigen, gecombineerd met alle sprongen die ik in het verleden gemaakt heb, zorgen ervoor dat ik de mat af stap met een gevoel van de sprong.

Een wedstrijd levert ook stress op. Niet zoveel als aan de rand van een afgrond staan, maar genoeg om een reactie uit te lokken. Zo kan iets wat in de training simpel is, zoals het springen op gevoel, in een wedstrijd moeilijk worden. De vraag is, hoe ga je hier mee om? Het beste wat je kunt doen is hetzelfde doen als wat je in de situatie zonder stress zou doen. Ik moet in wedstrijden dus hetzelfde doen als wat ik in training doe. 

Van nature is mijn reactie onder stress echter dat ik beter mijn best ga doen. Vorig seizoen was dit door meer op details te gaan letten. “Als ik dit detail maar goed doe, dan wordt het zeker een goede sprong!”. Dit indoorseizoen was het door het gevoel van de training te mengen met wat extra moeite. Iets meer mijn best doen. Een beetje meer op kracht dan op techniek. Het neemt verschillende verschijningsvormen aan, maar het komt allemaal op hetzelfde neer: ik ga net iets anders doen dan dat ik in de training doe. Iets simpels, doen wat ik in de training doe, wordt onder stress opeens moeilijk, ik ga meer doen dan in de training. Het is dus niet per sé dat ik niet meer bezig ben met wat ik doe of hoe ik het doe, ik ga alleen iets anders doen dan ik heb getraind.

Doen wat ik in de training ook doe, dat is de kunst. Het lastige van een sport als hoogspringen is alleen, geen training is hetzelfde De ‘toegang’ tot de aansturing in het springen verandert constant. Het werkt dus niet om elke keer hetzelfde te doen. In de ene training zorgt het accent op mijn knie-inzet voor een goede sprong, maar wanneer ik dat in de training daarna precies zo probeer te doen, komt er een hele andere sprong uit. Is er dan niets wat ik elke keer hetzelfde kan doen om tot hetzelfde resultaat te komen? 

Toch wel. De opbouw van een goede training blijkt er altijd hetzelfde uit te zien. Ik begin ik bij het begin, doe mijn warm-up en zorg ervoor dat mijn lichaam klaar is om te springen. Dan ga ik naar de mat en bouw mijn sprong langzaam op. Ik maak mijn eerste sprong, meestal geen erg goede, en krijg een beeld van hoe het lichaam voelt. Ik merk hoe de bewegingspatronen vandaag voelen en wat er automatisch goed en fout gaat. Deze sprong wordt mijn uitgangspunt en vanaf dit moment probeer ik elke sprong iets beter te maken. Iets sneller aanlopen, iets meer rechtop, betere knie-inzet, net zolang totdat ik ‘opeens’ een goede sprong maak. 

Toen ik dit besefte vielen er opeens veel dingen op hun plek. Zoals ik mijn sprongen in de training opbouw, zo deed ik dat bijna nooit in de wedstrijd. In het inspringen meestal wel, en soms zelfs wel in het begin van de wedstrijd, maar zodra het hoger begon te worden (en de stress dus toeneemt) liet ik die opbouw varen. Dan ging ik opeens vanuit de voorgegeven hoogte denken. In plaats van de vorige sprong als uitgangspunt te nemen, en die proberen te herhalen of misschien iets beter te doen, kreeg ik een beeld in mijn hoofd van wat voor sprong er nodig zou zijn om deze hoogte te halen. Dat beeld probeerde ik dan uit te voeren, en soms lukte dat, maar meestal niet. Het werd een top-down approach, in plaats van bottom-up, en zoals zo vaak, bleek dat niet te werken.

Ik kan me voorstellen dat als je het verloop van een hoogspringwedstrijd kent het vrij logisch klinkt om elke sprong iets beter te doen. De lat gaat immers steeds iets omhoog. Je kunt dus beginnen met een sprong die nog niet zo goed is, maar langzaamaan gaat de lat omhoog en is het handig als je sprongen ook steeds beter worden. Nou, voor mij was dit dus niet zo logisch.

En zo is, voor mijn gevoel mijn grootste doorbraak tot nu toe op mentaal gebied, dat ik in wedstrijden het gevoel van de vorige sprong als uitgangspunt neem en die sprong dan iets beter probeer te doen. De basis van hoogspringen, die ik blijkbaar even vergeten was.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *