Categorieën
Blog

Een Duivels Dilemma in Coronatijd

In 2008 zag ik op tv hoe de Belgische Tia Hellebaut Olympisch kampioen hoogspringen werd. Van origine een meerkampster en niet de technisch meest begaafde hoogspringster van het veld, versloeg zij als underdog de styliste en topfavoriet Blanka Vlasic met een fantastische hoogte van 2,05m. Mijn PR als 16- jarige jongen was slechts 2 cm hoger. Het was een finale die je verliefd kan laten worden op een sport. En dat gebeurde. 

Vier jaar later reisde ik met twee vrienden naar London, om daar een week lang op onze OV -fietsen vanaf een camping de stad onveilig te maken. Mijn vader wist via via kaartjes voor de Olympische finale hoogspringen mannen te krijgen. Ik zag Ivan Ukhov Olympisch kampioen worden en mijn Olympische droom ontbrandde. Ik wist: in 2016 wil ik meedoen in Rio de Janeiro. Een jaar later in 2013 had ik mijn doorbraak. Ik sprong 2,28m en werd Europees kampioen onder de 23. De droom werd een doel. En een haalbaar doel zo leek het. 

Na twee moeilijke jaren besloot ik een jaar voor de Spelen van Rio om naar Duitsland te verhuizen. Ik wilde koste wat kost de Spelen halen. Vlak voor ik de overstap maakte raakte ik geblesseerd en moest geopereerd worden aan mijn afzetenkel. De Spelen van Rio de Janeiro waren opeens wel heel ver weg en ik was niet op tijd fit om echt een kans op kwalificatie te maken.

Via nog een enkeloperatie en een avontuurtje in de advocatuur besloot ik eind 2017 om nog één keer vol op het hoogspringen in te zetten. Ik werd weer voltijd topsporter en kwam langzaam weer in de buurt van mijn oude niveau. In 2018 stond ik in de finale van het EK in Berlijn en in 2019 evenaarde ik mijn pr van 2,28m en kwalificeerde me voor het WK in Doha. Na Doha wist ik het zeker, in 2020 ga ik me kwalificeren voor de Olympische Spelen van Tokio. 

Sinds 2012 staat mijn leven in het teken van het hoogspringen. Ik verhuisde ervoor naar Duitsland, ik zegde er mijn baan als advocaat voor op en ik deed en liet er alles voor om zo goed mogelijk te worden. Ik genoot van het proces van beter worden en het springen op EK’s en WK’s. Maar in mijn achterhoofd had ik altijd dit ene grote doel: de Olympische Spelen. 

Het klinkt als een stuk dat je schrijft aan het einde van je carrière, maar geen zorgen, zo’n stuk is dit niet. Het is een stuk waarin ik probeer weer te geven hoe belangrijk de Olympische Spelen zijn voor een atleet als ik en hoe bepalend dat is voor de keuzes die je maakt.

Akte twee van dit verhaal. Het coronavirus komt op. 

Ineens zijn de Olympische Spelen helemaal niet zo belangrijk meer. Je merkt het overal, er komt een herwaardering van alles. De beroepen die voorheen moesten vechten voor waardering en een goed salaris, blijken opeens écht onmisbaar voor de samenleving. In de schaduw van zo’n groot gevaar wordt duidelijk wat belangrijk is. Gezondheid. Leven. Dat gaat op dit moment boven alles. Dus moeten we binnen blijven en zo weinig mogelijk contact met anderen hebben om het virus niet verder te verspreiden. De sportaccommodaties gaan dicht. Trainen op hoog niveau wordt onmogelijk. En onbelangrijk. 

Dan komt er een bericht van het Internationaal Olympisch Committee. Het IOC houdt vast aan het begin van de Spelen in juli 2020 en ziet geen reden voor drastische beslissingen op dit moment. Daarnaast moedigt men de atleten aan om zich toch zo goed mogelijk voor te bereiden op de Olympische Spelen. 

De Spelen gaan door in juli. En het IOC moedigt atleten aan om te blijven trainen. 

Er zijn atleten (zoals ik) die zich nog moeten kwalificeren. Dat zou moeten gebeuren voordat de Spelen van start gaan (idealiter ;-)). Om goed genoeg te zijn in de zomer, moet er nu getraind worden. Maar, zonder mat en zonder lat geen hoogspringen. Alle faciliteiten zijn dicht. Het RIVM raadt aan om zou weinig mogelijk contact met anderen te hebben. Op hoog niveau trainen is onmogelijk. De Olympische Spelen houden in juli is onmogelijk. Toch houdt het IOC vast aan deze datum. De Spelen zullen niet verplaatst worden. 

Dus probeer ik toch op een zo hoog mogelijk niveau te trainen. En neem ik risico’s. Want het betekent dat mijn coach bij de trainingen is. En het betekent dat we trainen in een geïmproviseerd krachthonk. Het betekent dat ik de grenzen van de richtlijnen van het RIVM en de overheid opzoek.

Ik twijfel elke dag om te gaan trainen, maar ik doe het toch. Omdat ik een bericht van het IOC zie dat zegt dat ik mijn best moet doen om zo fit mogelijk te blijven. Of omdat ik een video zie van een andere hoogspringer die nog toegang tot een hal heeft. Of omdat ik denk: maar we trainen in kleine groepjes, dat mag toch? 

Dat terwijl ik het liefst nu zoveel mogelijk thuis zou willen blijven. Mijn contacten zoveel mogelijk zou willen beperken en alleen of samen met mijn huisgenoot buiten in het bos zou willen trainen om fit te blijven. Zowel fysiek als mentaal. Maar als ik nu die beslissing neem, dan weet ik zeker dat ik niet fit zal zijn als de Olympische Spelen in juli gehouden worden en zeg ik daarmee mijn droom vaarwel. Dan ben ik, in ieder geval in 2020, geen Olympiër. 

Vandaag neem ik die beslissing nog niet. Ik ga zo meteen weer trainen. Met alle risico’s van dien. Maar ik fantaseer over een bericht van het IOC bij thuiskomst. “De Spelen worden tot nader order uitgesteld. De gezondheid van atleten en van de samenleving gaat boven het belang van de sport. Zelfs als het om de Olympische Spelen gaat.”

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *